De man aan de rand van het meer! Over thuiskomen bij jezelf!

de man op de steen

Hij kwam vaak in de ochtend naar hetzelfde meer.

Altijd rond zonsopkomst. Niet omdat hij ergens naartoe moest. Niet omdat iemand het van hem verwachtte. Hij ging het liefst als het zo goed als windstil was — dan lag het water als een spiegel en kon hij de lucht erin zien, alsof de wereld even op zijn kop stond. Maar het was meer dan dat. Het was ook omdat het daar stil genoeg was om helemaal tot zichzelf te kunnen komen — iets wat in de drukte van de dag altijd weer ondersneeuwde.

Hij zat op dezelfde steen. Zoals altijd. Zelfde plek. Zijn jas over zijn knieën gevouwen. Zijn handen stil in zijn schoot. De wereld om hem heen was nog zacht. De ochtendnevel hing laag over het water. Ergens in de verte riep een meerkoet. Aan de oever stond het riet stil. Ergens tussen de bladeren dreef een waterlelie, geworteld in de modder, open naar het licht. Verder was er niet veel. Alleen hij, en de stilte die hij nog niet goed kon verdragen.

Want in het begin merkte hij vooral de storm in zijn hoofd op en de onrust in zijn lijf. Wat hij nog moest doen. Wat hij gisteren verkeerd had gezegd. De blik van een collega die hij niet kon plaatsen. Het telefoontje dat hij steeds maar uitstelde. Wie hij morgen zou moeten zijn. Wie hij vandaag had moeten zijn. Het ene verhaal na het andere — een eindeloze stroom van woorden en verhalen zonder echte rust. Maar soms, tussen de gedachten door, was daar iets anders. Een zachte warmte boven zijn hoofd, alsof er iets naar hem toe stroomde. Een tintelend gevoel in zijn handpalmen dat er was zonder dat hij het opriep. Hij wist wat het was. Jaren geleden had hij op een weekend een Reiki cursus gevolgd — meer uit nieuwsgierigheid dan uit overtuiging. Maar sinds dat weekend was er iets veranderd. De warmte kwam terug. Steeds vaker. Niet alleen tijdens het oefenen, maar ook hier, aan het meer, als hij stil genoeg was.

De gedachten kwamen als wolken. Sommige dreven rustig voorbij, andere bleven hangen alsof ze nergens naartoe hoefden. En net als de lucht even opklaarde en hij dacht dat het stil werd, schoof er een donkere wolk voor de zon. Dan voelde alles wat zwaarder. Wat kouder. Wat minder veilig. Eerst probeerde hij de wolken weg te denken. Zijn gedachten het zwijgen op te leggen. Later probeerde hij ze te begrijpen — elk verhaal te ontrafelen, elke emotie te analyseren, alsof hij zichzelf kon oplossen door genoeg na te denken. Maar hoe harder hij greep, hoe meer hij begon te snappen dat het nergens naartoe ging. Hoe meer hij zocht, hoe minder hij eigenlijk vond.

Tot die ene ochtend waarop hij het opgaf en niets meer probeerde te zijn.

Niet uit wijsheid. Niet uit kracht. Maar uit een soort zachte uitputting. Een overgave die niet gepland was. En toch — zonder al die ochtenden van grijpen en zoeken, was deze overgave er nooit geweest. Elke poging, hoe vergeefs ook, had hem hierheen gebracht. Hij had simpelweg niets meer over om mee te grijpen.

Hij liet de wolken er gewoon zijn. Gedachten bleven gedachten — niet meer, niet minder. En toen, in die openheid, gebeurde er iets. Iets zo klein dat hij het bijna miste. Een gedachte dreef voorbij — Ik zit hier al zo lang. Dezelfde soort gedachte als alle andere. Maar dit keer ging hij er niet in mee. Hij spinde haar niet verder uit tot een verhaal over geduld of falen, over tijd die verstreken was. Hij zag haar gewoon. Zoals je een wolk ziet schuiven voor de zon — even is hij er, en dan lost hij op.

En plots drong het tot hem door: die gedachte werd waargenomen. Niet zozeer door zijn denken. Niet door zijn willen. Niet door de stem in zijn hoofd die altijd klaarstond met een mening. Maar door iets wat niet meebewoog met de storm. Iets wat stil bleef terwijl alles om het heen in beweging was. Iets wat er altijd al was geweest.

Hij bleef zitten. Roerloos. Niet omdat hij iets had gevonden, maar omdat hij voor het eerst voelde dat hij niet meer hoefde te zoeken.

En langzaam — zo langzaam als de nevel die het meer loslaat bij zonsopkomst — viel er iets op zijn plek. Hij was niet de gedachte. Niet de wolk. Niet de onrust of de twijfel. Niet het verhaal dat hij zo lang voor waarheid had gehouden. Niet zijn naam, niet zijn rol, niet de zoon, niet de partner. Niet wie hij dacht te moeten zijn. Maar hij was ook niet iets apart van dat alles. De wolk, het meer, de gedachte, het licht — het kwam allemaal voort uit dezelfde bron. En hij was niet anders. Hij was diezelfde natuur. Het meer, de nevel, het licht, de steen waarop hij zat — en hij. Allemaal dezelfde essentie. Niet apart, niet erboven, niet erbuiten. Alleen was hij het punt waarop die natuur zich bewust werd van haar eigen bestaan. Niet als iemand die keek, maar als het leven zelf dat de ogen opende.

Er was niets om te vinden. Er was niets om te worden. Er was alleen het stoppen met zoeken — en het herkennen van wat er altijd al was.

Zoals het meer het water draagt — ongeacht of het wild is of stil. Zoals de lucht de wolken draagt — zonder zich te hechten aan hun vorm. Zoals de stilte al het geluid een ruimte biedt, zonder er zelf door aangeraakt te worden. Hij keek naar de rimpels op het wateroppervlak en begreep eindelijk wat hij al die tijd over het hoofd had gezien: De rimpel is niet het meer. De golf is niet het water. De gedachte is niet wie ik ben.

Al die jaren had hij zichzelf vereenzelvigd met wat er aan de oppervlakte gebeurde. Met de golven, de stormen, de rimpelingen. Hij had gevochten met zijn gedachten alsof zij hem waren. Hij had zijn emoties omarmd of weggeduwd alsof zijn geluk ervan afhing. Maar al die tijd was daar iets geweest wat hij over het hoofd had gezien — juist omdat het zo dichtbij was. Zo vanzelfsprekend. Zo stil.

Wat hij werkelijk was, had nooit een naam nodig gehad.

Het bewoog niet. Het hoefde niets te worden. Het had niets te bewijzen, niets te bereiken. Het was er altijd al geweest — in elke herinnering, achter elke droom, onder elke laag van identiteit die hij over zichzelf heen had gelegd.

Het keek. Het kon zien.

Niet als iemand die kijkt. Niet als een persoon met een geschiedenis en een toekomst. Maar als het kijken zelf. Als pure aanwezigheid. Als het bewustzijn dat zichzelf opmerkt — niet als object, maar als de ruimte waarin alle objecten bestaan.

Dit is wat de mystici volgens hem van alle tijden probeerden te zeggen. Niet dat je iets moet worden, maar dat je mag stoppen met proberen iets te zijn. Dat thuiskomen niet betekent dat je ergens aankomt of ergens naartoe gaat, maar dat je eindelijk beseft dat je nooit bent weggegaan.

En voor het eerst in lange tijd was hij niet bezig met thuiskomen — hij was thuis, in zichzelf.

Niet ergens anders. Niet later. Niet na de volgende cursus, het volgende inzicht, de volgende verandering. Hier. Nu. In zichzelf. In de stilte die hij altijd al was.

Het meer lag er stil bij. De zon klom hoger. De wereld ging verder zoals ze altijd deed. Maar hij — hij stond op van die steen als iemand die voor het eerst begreep dat hij nooit had hoeven zoeken naar wat hij al was.

de man op de steen

Zoeken

Categorieën

Tags

Meer verhalen

hayashi

Reiki 🌊 De brug van Chujiro Hayashi: Van Japan naar de wereld 1935

Wanneer we het over Reiki hebben, gaat de aandacht vaak als vanzelf naar Mikao Usui, de grondlegger van Reiki Ryoho. Zijn pad en inzichten vormen een prachtige bron van inspiratie
geluk of ongeluk

Mikao Usui blijft dé oorspronkelijke grondlegger van Reiki in 2025

Een zachte blik op oorsprong en overlevering: Mikao Usui en de waarde van zorgvuldige geschiedschrijving In de Reiki-gemeenschap ontmoeten we elkaar vaak op basis van iets ongrijpbaars, iets wat ons

Wil je meer
weten of heb je vragen?

Laat je gegevens achter en je hoort snel van ons.